NIEMAND VAN DE RAAD REAGEERDE HIER OP.
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Aan de gemeenteraad van Gemeente Bernheze
Postbus 19
5384 ZG Heesch

Per e-mail: griffie@bernheze.org

Heesch, 19 januari 2025.

Betreft: Vragen naar aanleiding artikel van een Boa in ‘De MooiBernhezeKrant’, d.d. 23 oktober 2024
Ons kenmerk: 24.10.25/C
Uw kenmerk: nvt
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Geachte leden van de raad (en alle fracties!),

Inleiding
Onderstaand stuk en bijgevoegde stukken gaan over het volgende.

Op 23 oktober 2024 verscheen bijgaand artikel in de ‘MooiBernhezeKrant’
Zie bijlage 1 en: https://www.mooibernheze.nl/reader/22862#p=9

Ik ga er in onderhavige stukken vanuit dat de auteur van deze column een (eigen) gemeentelijke Boa is, behorende tot Domein I, Openbare Ruimte.

Deze Boa licht in deze column de burgers van Bernheze in over een recente uitbreiding van haar / hun bevoegdheden, namelijk handhavend optreden / verbaliseren bij de navolgende overtredingen uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Rvv):

– Geen of verkeerde fietsverlichting,
– ‘Handheld’ telefoongebruik op de fiets,
– Rood licht negeren door fietsers en voetgangers.

Deze voorlichting dient duidelijk, correct en volledig te zijn.

Burger moeten – in verband met hun rechtspositie – weten wat de taken en bevoegdheden van een Boa DI / OR (‘Handhaving’) zijn en wat de taken en bevoegdheden zijn van de politie!

Het onderscheid tussen de taken een bevoegdheden van de algemeen opsporingsambtenaar (politie) en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Boa) dient voor de burger ondubbelzinnig en helder te zijn.

Er is door de Minister van Justitie en Veiligheid tussen deze twee soorten opsporingsambtenaren niet voor niets een strikte afbakening van bevoegdheden gemaakt / geformuleerd.

Dit is in eerste plaats van belang om de taakverdeling tussen politie en Boa’s helder te houden. Dit komt zowel de onderlinge samenwerking en de resultaten ten goede, als de herkenbaarheid voor burgers. Daarnaast is het van belang voor de professionaliteit van de Boa DI OR (immers een specialist met beperkte opsporingsbevoegdheden) dat het takenpakket tussen beide soorten ambtenaren dusdanig is afgebakend dat er ook echt sprake kan zijn van een specialisme.

Echter, de laatste decennia is een tendens gaande waarbij taken en bevoegdheden van politie méér en méér, in een glijdende schaal, sluipenderwijs overgaan naar die van Boa’s als gevolg waarvan de politie voor bepaalde overtredingen niet / nauwelijks meer handhavend optreedt en dit steeds meer overlaat aan Boa’s.

Er is aldus sprake van ‘verwatering’ van bevoegdheden die voor de burgers niet meer helder is: wie is bevoegd voor wat, van wie kan ik een bekeuring verwachten, in welke situaties, is die Boa die mij bekeurt bevoegd, is hij / zij wel deskundig genoeg, is hij / zij hiervoor opgeleid, bezit hij de vereiste sociale vaardigheden, etc.

Hierdoor krijgen steeds meer burgers door een Boa een sanctie opgelegd die rechtens met succes aanvechtbaar zijn, waartegen met succes beroep kan worden ingesteld. Echter, burgers zijn hiervan niet op de hoogte. Dit raakt direct de rechtspositie van burgers!

De rechtspositie van burgers mag in een rechtstaat als de onze niet afhankelijk zijn van de (on-)wetendheid (het ‘onbenul’) van burgers, hun (on-)deskundigheid, laat staan van hun financiële positie om rechtens in verweer te (kunnen) gaan.

Door de hierboven genoemde tendens wordt de vroegere gemeentepolitie steeds méér vervangen door ‘Handhaving’: Boa’s Domein I Openbare Ruimte! Dat is ongewenst, omdat de opleiding van Boa’s OR bij lange na niet toereikend is en velen van hen hiertoe – om verschillende redenen – niet capabel, toegerust, etc. zijn.

Sinds 1988 – 1989 geef ik les (rechts- en wetskennis, bevoegdheden, etc. maar ook vele andere vakken / trainingen) aan politieambtenaren: ik leidde binnen de politie ruim 2.500 ‘hulpofficieren van justitie’ op, schoolden hen bij, en vele andere ‘lagere’ politieambtenaren. De laatste jaren leid ik óók Boa’s Domein I / OR op.

Ik geef u dit slechts aan (en om geen enkele andere reden!) omdat ik meen te weten waarover ik spreek.

Ik maak me ernstig zorgen over het – in mijn ogen – ongebreideld verruimen van bevoegdheden van Boa’s.
Deze zorgen worden mij ingegeven, mede gelet op mijn eigen ervaringen / expertise als docent aan opsporingsambtenaren in relatie tot het opleidingsniveau, maar ook op basis van hun andere vaardigheden, van Boa’s, inhoud van de geboden lesstof, etc. Vele Boa’s zijn niet voldoende toegerust om allerlei opsporings- en andere taken op zich te nemen.

Burgers zijn hiervan vaak het slachtoffer, ze betalen de opgelegde boete, uit angst voor de gevolgen van niet- of te late betalingen. De door het Centraal justitieel incassobureau (CJIB) te Leeuwarden opgelegde beschikkingen (boetes en verhogingen hierop) zijn torenhoog en worden alsmaar hoger, waardoor méér en méér burgers in ernstige geldproblemen komen.

Als gevolg van de exorbitante hoge boetes is al heel lang geen draagvlak meer onder de bevolking en weinigen weten de weg om in dezen hun recht te halen. Door de omkering van de bewijslast die op de schouders van de burgers wordt gelegd (bewijzen / aannemelijk maken dat de opgelegde boeten onterecht zijn opgelegd) is de rechtspositie van burgers ronduit slecht te noemen.

Dit alles raakt mij als ‘rechtswinkelier’!

En de uitbreiding van bevoegdheden voor Boa’s blijft maar doorgaan: ik zie het – als rechtsbeschermer pur sang – dan ook nadrukkelijk als mijn taak om hierover kritische vragen te stellen, een vinger aan de pols te houden, in het belang van de burgers.

Ik stelde – naar aanleiding van bedoelde column in de MBK – hierover dan ook schriftelijke vragen aan het college van B&W Bernheze. Op deze vragen kreeg ik antwoorden, maar door deze antwoorden kreeg ik bij het lezen ervan gaandeweg de overtuiging dat ik door het college werd afgepoeierd, alsof ik niet op de hoogte ben van deze materie: ik ben – zoals uit het voorgaande mag blijken – zeer goed op de hoogte. Vandaar dat ik de antwoorden van het college als onbevredigend en incorrect ervaar.

Minister van Justitie en Veiligheid
Ik benader hierover niet alleen uw raad, maar ik zal deze kwestie ook aan de Minister van Justitie en Veiligheid voorleggen.

Boa’s Domein I / Openbare Ruimte dienen hun taak namelijk te verrichten, zoals bedoeld in de brief van (voormalige) Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus, d.d. 12 december 2018, aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, getiteld: ‘Boa’s en de gevolgen voor de lokale inbedding’.

Zie bijlage 2 en: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2018D59010&did=2018D59010)

De inhoud en strekking van deze brief is staand beleid.

Hierin staat onder meer het volgende lezen (onderstrepingen door ondergetekende)

‘Boa en politie
Gebiedsgebonden politiewerk is een verworvenheid van het politiewerk (…..). Kern van het stelsel van toezicht en handhaving in de openbare ruimte is immers de gedeelde verantwoor-delijkheid van gemeenten en politie.

Veelal is de belangrijkste uitvoeringspartner de Boa. Boa’s in de openbare ruimte beschikken over een beperkte opsporingsbevoegdheid voor de uitoefening van specialistische en afgebakende taken, op basis van bijzondere wetten en verordeningen. Sinds 2011 wordt gewerkt met indeling van strafbare feiten in thematische domeinen.

De wettelijke grondslag voor het functioneren van de Boa is vastgelegd in artikel 142 Wetboek van Strafvordering.

De bevoegdheden van de Boa staan omschreven in de ‘Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar’. 

(….) Gemeenten zorgen met gemeentelijke Boa’s voor ogen en oren op straat en kunnen daar ingrijpen waar de leefbaarheid wordt aangetast door overtredingen die overlast veroorzaken en tot kleine ergernissen leiden. (….).

Om deze complementaire taakverdeling nog eens te benadrukken en te verhelderen, is in 2014 het leefbaarheidscriterium geïntroduceerd voor de afbakening van taken en bevoegdheden van Boa’s in Domein I Openbare Ruimte.

De afbakening van de bevoegdheden van de Boa in Domein I Openbare Ruimte is in de eerste plaats van belang om de taakverdeling tussen politie en Boa’s helder te houden. Dit komt zowel de onderlinge samenwerking en de resultaten ten goede, als de herkenbaarheid voor burgers. Daarnaast is het ook belangrijk voor de professionaliteit van de Boa openbare ruimte (immers een specialist met beperkte opsporingsbevoegdheden) dat het takenpakket dusdanig is afgebakend dat er ook echt sprake kan zijn van een specialisme.

Kern van het werk van de gemeentelijke Boa in Domein I is dat hij in de Openbare ruimte aanwezig is en toezicht houdt, en handhavend optreedt waar nodig in geval van kleine ergernissen, overtredingen en overlastsituaties die de leefbaarheid in wijken en buurten aantasten.

(…) Ik ben niet voornemens om aan het uitgangspunt inzake de geweldsmiddelen te tornen. (…) In dat kader blijft het een al dan niet enigszins ruimer gedefinieerd leefbaarheidscriterium de juiste toets. (…)’.

In genoemde ‘Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar’, geraadpleegd op 24 -10-2024, geldend van 01-08-2024 t/m heden Domein I. Openbare Ruimte, staat het volgende te lezen, voor zover thans relevant:

De Boa Openbare Ruimte is belast met de opsporing van de strafbare feiten in de volgende wettelijke voorschriften voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de functie en de daaraan gekoppelde taakomschrijving, tenzij de wet zich daartegen verzet.

Artikel 10:

  • Alleen voor stilstaand verkeer: artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV).
  • Voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer: de artikelen 4, 5, 6, 8, 10, 28 juncto 31, 57, 60 en 82 RVV, en artikel 62 RVV juncto bijlage I, hoofdstukken C (geslotenverklaring) en D (rijrichting) RVV. Handhaving op het negeren van een C- of D-bord is toegestaan in relatie tot de leefbaarheid, waaronder het tegengaan van overlast door sluipverkeer en het verbeteren van de leefbaarheid door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht)auto’s, zoals de zogeheten milieuzones.
  • Voor zover van toepassing op fietsers en voetgangers:
  1. artikelen 35 en 35a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
  2. artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, voor zover het gaat om niet-gemotoriseerd verkeer;
  3. artikelen 62 juncto 68 lid 1 en onder c en 62 juncto 69 lid 1 en onder b en 62 juncto 74 lid 1 en onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, voor zover het gaat om niet-gemotoriseerd verkeer en voetgangers.

Handhaving is slechts mogelijk wanneer in een gezamenlijk handhavingsarrangement de (rand)voorwaarden zijn beschreven waaronder handhaving zal plaatsvinden.

In betreffende column wordt – zoals reeds gezegd – aangegeven dat onze gemeentelijke Boa’s nieuwe bevoegdheden hebben gekregen, namelijk:

  • Geen of verkeerde fietsverlichting,
  • ‘Handheld’ telefoongebruik op de fiets,
  • Rood licht negeren door fietsers en voetgangers.

Handhaving van deze verboden gedragingen is – zoals beschreven in de ‘Regeling’ en de brief van de minister – echter slechts mogelijk wanneer in een gezamenlijk handhavingsarrangement de (rand)voorwaarden zijn beschreven waaronder handhaving zal plaatsvinden:

dit betreft onder meer een nadere / concrete beschrijving van de werkafspraken tussen politie en betreffende Boa’s / ‘Handhaving’, met betrekking tot onder meer de noodzaak tot bedoelde uitbreiding van bovenvermelde bevoegdheden.

Om deze uitbreiding van bevoegdheden te rechtvaardigen dient door ‘Handhaving’ en de politie nadrukkelijk te worden aangetoond / gemotiveerd waarom deze uitbreiding voor onze Boa’s binnen onze gemeente noodzakelijk zijn.

Boa’s Domein I zijn – gelet op bovenvermeld schrijven van de minister – niet bedoeld voor verkeersveiligheid, maar voor toezicht en handhaving dáár waar de leefbaarheid bovenmatig wordt aangetast door overtredingen die (overlast veroorzaken en tot kleine ergernissen leiden.

Toezicht en handhaving op het gebied van de naleving van de verkeersregels is een taak van de politie, aldus de minister.

Zodra het plegen van de strafbare feiten die door betreffende Boa in haar column worden genoemd in niet geringe mate (!) tegen leefbaarheid aan schuren, eerst dan kunnen – conform bedoelde brief van de minister – onze Boa’s tegen deze feiten handhavend optreden.

Wanneer bijvoorbeeld iemand op een polderweg zonder verkeer één van deze overtredingen pleegt dan betreft dit de verkeersveiligheid, maar indien dit gebeurt in een voetgangersgebied waar de omgeving er – bovenmatige – hinder / last van ondervindt dan kán sprake zijn van aantasting van de leefbaarheid. En dan nóg dient de Boa zich in dezen terughoudend op te stellen.

Kortom, handhaving van verboden gedragingen – én dus óók genoemde (uitbreiding van) verboden gedragingen – draait geheel om de context, in relatie tot de leefbaarheid en nadrukkelijk niet verkeersveiligheid.

Echter, uit de column van betreffende Boa kunnen lezers / burgers slechts één conclusie trekken: onze Boa’s hebben deze bevoegdheden ongeclausuleerd toegekend gekregen, burgers kunnen zómaar worden geconfronteerd met (willekeurige en / of projectmatige) verkeerscontroles, staandehouding, etc. gericht op handhaving van deze genoemde te sanctioneren gedragingen, zonder dat hierbij de leefbaarheid binnen de gemeente in geding is.

Dat is niet correct, zelfs onrechtmatig, in ieder geval in strijd met bovenbedoelde instructie / brief van de minister: wat is een dergelijke brief aan de Tweede Kamer dan nog waard wanneer deze door ons gemeentebestuur wordt genegeerd, terzijde wordt gelegd?

En waarom worden schriftelijke vragen van een bezorgde burger, die hiertoe de moeite neemt, met nota bene kennis van zaken, op een dergelijke wijze door een college wijze afgedaan, ‘beantwoord’?
Zie hieronder.

Per schrijven van 15 oktober 2024 stelde ik aan het college van burgemeester en wethouders van Bernheze de onderstaande vragen.

Zie bijlage 3.

Deze vragen diende ik per schrijven van 11 november 2024 helaas te herhalen.
Zie rappel, bijlage 4.

Per schrijven van 26 november 2024 antwoordde het college hierop.
Zie bijlage 5.

Naar aanleiding van deze beantwoording graag het volgende

Vraag aan het college

  1. ‘Bent u het met mij eens dat onze gemeentelijke Boa’s niet ongeclausuleerd – de regels van strafvorderlijke en bestuursrechtelijke procesorde even buiten beschouwing gelaten – de bevoegdheden, zoals genoemd in bedoeld krantenartikel, toegekend hebben verkregen (mocht dit al het geval zijn), maar slecht in bovenbedoelde context (leefbaarheid aangetast door overtredingen die overlast veroorzaken en tot kleine ergernissen leiden)?’

    Antwoord van het college (zie bijlage 5):
    Ja, onze Boa’s gaan de aanvullende bevoegdheden op een correcte wijze toepassen en kijken daarbij ook naar de context van de overtreding’.

    Hierop heb ik uw raad het volgende op te merken:
    Uit het bewuste krantenartikel blijkt beslist niet dat het onze Boa’s slechts (binnen de context van leefbaarheid!) is toegestaan handhavend op te treden ná constatering van genoemde / bedoelde overtredingen (geen of verkeerde fietsverlichting, ‘handheld’ telefoongebruik op de fiets of het negeren door fietsers en voetgangers van rood licht),terwijl hierdoor tevens de leefbaarheid binnen Bernheze significant / beduidend, wordt aangetast, onevenredige overlast wordt veroorzaakt of vaak tot kleine ergernissen leidt!Uit de informatie die betreffende Boa aan de burgers verstrekt over haar / hun nieuwe bevoegdheden blijkt dat bedoelde bevoegdheden ongeclausuleerd aan onze Boa’s zijn verleend, maar dat is niet het geval, is in ieder geval niet toegestaan (zie brief van de minister).

    Hierdoor zijn onze Boa’s OR en hun bevoegdheden verre van herkenbaar: mag ik u wijzen op de inhoud en strekking van bovenvermelde brief van de minister?

    Met name:
    De afbakening van de bevoegdheden van de Boa in Domein I Openbare Ruimte is in de eerste plaats van belang om de taakverdeling tussen politie en Boa’s helder te houden. Dit komt zowel de onderlinge samenwerking en de resultaten ten goede, als de herkenbaarheid voor burgers. Daarnaast is het ook belangrijk voor de professionaliteit van de Boa Openbare Ruimte (immers een specialist met beperkte opsporingsbevoegdheden) dat het takenpakket dusdanig is afgebakend dat er ook echt sprake kan zijn van een specialisme.

    Vragen aan uw raad:
    Waarom en op basis waarvan hebben onze Boa’s deze bevoegdheden erbij gekregen?

    B. Welke door de gemeenschap / het gemeentebestuur, etc. ervaren en onderzochte problemen / excessen binnen Bernheze zijn hiervan de grondslag? Zijn hierover cijfers?

    C. Het college antwoordt: (…) en kijken daarbij ook naar de context van de overtreding’.

    Echter, ‘óók kijken naar de context van de overtreding’, is onvoldoende, om als Boa OR (rechtmatig) te mogen / kunnen optreden! Al hun handhavend optreden naar aanleiding van bedoelde overtredingen dienen – gelet op de brief van de minister – binnen de context van een – significante – aantasting van de leefbaarheid binnen Bernheze plaats te vinden, immers ter bestrijding van méér dan gewone overlast en het voorkomen van vaak voorkomende kleine ergernissen!

    Vragen aan uw raad:
    Is er (dan) onderzoek gedaan hoe vaak bedoelde overtredingen binnen Bernheze daadwerkelijk plaatsvinden en komen deze overtredingen dan zodanig frequent voor dat deze de leefbaarheid binnen Bernheze significant aantasten, veroorzaken deze overtredingen zoveel overlast en leiden deze zodanig vaak tot kleine ergernissen, dat handhavend optreden ertegen door onze Boa’s – uitbreiding van bedoelde bevoegdheden – daadwerkelijk gerechtvaardigd / noodzakelijk is?

    Op basis van welke cijfers, onderzoeksresultaten, etc. zijn bedoelde uitbreidingen van bevoegdheden van onze Boa’s dan opportuun?

Vraag aan het college

  1. Burgers krijgen – op basis van dit krantenartikel – de indruk dat onze Boa’s
    – (zomaar) verkeerscontroles kunnen houden, gericht op fietsverlichting,
    – hen een stopteken kunnen geven en staande kunnen houden voor telefoongebruik op de fiets (dit is overigens niet zo, óók deze gegeven informatie is niet valide (!): het gaat om telefoongebruik door de bestuurder van een fiets; de achterop zittende passagier mag dit wél…)
    – en hen kunnen beboeten wanneer zij als fietsers en voetgangers een rood verkeerslicht negeren (hoeveel verkeerslichten voor fietsers en / of voetgangers zijn er eigenlijk binnen onze gemeente?).


    Antwoord van het college
    (zie bijlage 5):
    Op 2 locaties zijn verkeerslichten aangebracht binnen onze gemeente’

    Op het overige van vraag 2 gaat het college helaas niet in.

    Vraag aan uw raad:
    Onze Boa’s hebben deze uitbreiding van hun bevoegdheid, om handhavend op te treden nadat door een fietsers / voetganger een rood verkeerslicht is genegeerd, gekregen, terwijl in de gehele gemeente Bernheze, met 33.000 duizend inwoners en een oppervlakte van 92 km2, slechts twee verkeerlichten zijn aangebracht!

    Is dit écht nodig?

    Voor deze uitbreiding / verruiming diende het ‘Handhavingsarrangement’, van 19-08-2024, tussen de gemeente Bernheze, de politie en het openbaar ministerie te worden aangepast / aangevuld…Zie bijlage 5.

    Maar, hierdoor wordt de inhoud en strekking van het schrijven, de instructie, van bovenbedoelde minister genegeerd. Hierin wordt namelijk aangegeven, dat het ‘Handhavingsarrangement’ (bijlage 6) onder meer een nadere / concrete beschrijving van de werkafspraken tussen politie en betreffende Boa’s / ‘Handhaving’, bevat met betrekking tot onder meer de noodzaak tot bedoelde uitbreiding van bovenvermelde bevoegdheden.In bedoeld convenant ontbreekt een dergelijke concrete beschrijving en de motivering van de noodzaak geheel.

    Om deze uitbreiding van bevoegdheden te rechtvaardigen dient door ‘Handhaving’ en de politie nadrukkelijk te worden aangetoond / gemotiveerd waarom deze uitbreiding voor onze Boa’s binnen onze gemeente noodzakelijk zijn.

    In bedoeld convenant ontbreekt een dergelijke concrete beschrijving / rechtvaardiging en de motivering van de noodzaak geheel.

    Boa’s Domein I zijn – gelet op bovenvermeld schrijven van de minister – immers niet bedoeld voor verkeersveiligheid, maar voor toezicht en handhaving dáár waar de leefbaarheid wordt aangetast door overtredingen die overlast veroorzaken en tot kleine ergernissen leiden. Toezicht en handhaving op het gebied van de naleving van de verkeersregels is een taak van de politie.

    De noodzaak tot het optreden van Boa’s tegen ‘door rood licht lopen / fietsen’, kan dan ook onmogelijk door ‘Handhaving’ en de politie zijn aangetoond, laat staan gemotiveerd, nu er slechts twee verkeerslichten in geheel Bernheze zijn gesitueerd!

    Is uw raad bereid om hierover vragen te stellen aan het college?

Vraag aan het college

  1. ‘Bent u het met mij eens dat bedoelde column onjuiste, in ieder geval onvolledige informatie aan de lezers / burgers verstrekt, en dus, dat hierdoor de taak van de Boa voor de (lezende) burger niet herkenbaar is, in de zin zoals in bovenbedoelde brief van de minister bedoeld?’

    Antwoord van het college (zie bijlage 5):
    nee, de taken zijn juist verdeeld. De Boa gaat ook een bijdrage leveren aan het verbeteren van de verkeersveiligheid om het aantal verkeersslachtoffers terug te dringen. Dit artikel (kennelijk het bewuste artikel in de krant) is mede bedoeld om onze inwoners in te lichten. De informatie is niet onjuist’.

    Met dit antwoord gaat het college wederom volstrekt voorbij aan de inhoud en strekking van bovenvermelde de instructie / brief van de minister.

    Het college geeft mij door deze wijze van beantwoording het gevoel dat ik met mijn vragen in mijn hemd sta, niet goed weet waarover ik het heb. Dit, terwijl ik verwachtte serieus te worden genomen. Toezicht en handhaving op het gebied van de naleving van de verkeersregels is nadrukkelijk niet een taak van onze Boa’s, maar van de politie. College, de taken zijn dus niet juist verdeeld!

    Deze gegeven informatie is dan ook onjuist.

    Vragen aan uw raad:
    Is uw raad bereid om hierover vragen te stellen aan het college?F. Is er onderzoek gedaan naar het aantal verkeersslachtoffers binnen Bernheze, op basis van welke cijfers is de verkeersveiligheid binnen Bernheze in geding, en is het op basis van cijfers, aantallen, etc. noodzakelijk dat Boa’s deze bevoegdheden erbij hebben gekregen? Bevoegdheden die – het zij nogmaals gezegd – op basis van de brief van de minister onrechtmatig zijn verleend. Is uw raad bereid om óók hierover vragen te stellen aan het college?

Vraag aan het college

  1. ‘Is er met betrekking tot genoemde nieuwe bevoegdheden van de Boa sprake van een gezamenlijk handhavingsarrangement tussen politie en ‘Handhaving’ / de Boa’s, waarin de (rand-) voorwaarden zijn beschreven: een nadere / specifieke beschrijving van de werkafspraken tussen politie en ‘Handhaving’ waaronder handhaving door onze Boa’s DI zal plaatsvinden?

    Indien dit het geval is: wilt u dan zo vriendelijk zijn om mij – afschriften van – de hierop betrekking hebbende stukken / afspraken, etc. toe te sturen?’

    Zie bijlage 6.

Vraag aan het college

  1. ‘Zijn u / zijn überhaupt cijfers / aantallen, etc. bekend (hoeveel verkeerslichten voor fietsers en / of voetgangers zijn er eigenlijk binnen onze gemeente?), met andere woorden: zijn deze nieuwe bevoegdheden aan onze Boa’s toegekend op basis van onderzoek binnen onze gemeente en dan óók nadrukkelijk in relatie tot leefbaarheid (aangetast door overtredingen die overlast veroorzaken en tot kleine ergernissen leiden) als gevolg waarvan deze nieuwe bevoegdheden aan onze Boa’s zijn toegekend?

    Antwoord van het college(zie bijlage 5):
    ‘Nee, er heeft geen onderzoek plaatsgevonden’.

    Vragen aan uw raad
    :
    Op basis waarvan heeft deze verruiming van bevoegdheden – die (nogmaals) geheel in strijd is met de inhoud en strekking van de brief van de minister – dan plaatsgevonden?

    Zonder onderzoek vóóraf?

    Is uw raad bereid om hierover vragen te stellen aan het college?

    Is deze verruiming van bevoegdheden dan bedoeld om de werkdruk van de politie te verminderen?

    Is dit dan wel de taak van (het inzetten van) een Boa? Om leemten – die de politie overlaat – op te vullen?Indien dit laatste het geval is dan het eind niet helemaal zoek! Dan kan de burger ook verwachten dat Boa’s binnen afzienbare tijd handhavend gaan optreden tegen: overtredingen op het gebied van inrichtingseisen van voertuigen, kentekenplaat niet aangebracht, snelheidsovertredingen, rijden door rood licht door alle voertuigen, schuin oversteken, rijden onder invloed, etc. etc.!

    Dat zijn nu nog geen taken van de Boa, maar hoever gaan ontwikkelingen?

Vragen aan het college

  1. ‘Bent u – naar aanleiding van de inhoud en strekking van onderhavig krantenartikel – voornemens om toekomstige columns, mededelingen, etc. van onze Boa’s vóóraf – door iemand met kennis van zaken / eindverantwoordelijkheid, etc. – te screenen op de juistheid hiervan, zodat eventuele verwarring bij de lezers zoveel mogelijk kan worden voorkomen?Zo dit het geval is: door wie (functie)?

    Antwoord van het college (zie bijlage 5):
    ‘nee, dit is niet nodig’.

    Maar, mijns inziens is dit hard nodig. Het is de individuele politieambtenaar niet toegestaan om (op eigen titel) columns in kranten, tijdschriften, te plaatsen (in ieder geval niet zonder nadrukkelijke instemming vóóraf van de afdeling voorlichting) met betrekking tot het politiewerk. Hiervoor heeft de politie professionele publieksvoorlichters, persvoorlichters in dienst, met afdoende opleidingen hiertoe, juist (!) om te voorkomen dat er door individuele politieambtenaren onjuiste, onvolledig informatie, etc. aan de burgers wordt verstrekt.

    Waarom zou dat dan niet gelden voor individuele Boa’s?Uit de ongenuanceerde, in ieder geval onjuiste, onvolledige, etc. informatie die door betreffende Boa in onderhavige krantencolumn aan de burgers wordt verstrekt wordt de noodzaak om publieksvoorlichting voortaan slechts aan professionele publieksvoorlichters over te laten alleen maar groter.Het antwoord van het college, ‘nee, dit is niet nodig’, is dan ook niet te begrijpen: zó kort door de bocht, zó ongenuanceerd, geen enkele nadere uitleg, met een paar grote stappen snel thuis, snel een schriftelijk antwoord op die lastige vragen en we gaan weer over tot de orde / waan van de dag, dat ik ook dit alles niet anders kan opvatten dan als hiermee “het bos in te zijn gestuurd’, een antwoord waarbij het college er zich met een Jantje van Leiden van afmaakt.

    Burgers worden hierdoor ontmoedigd om kritische vragen aan het gemeentebestuur voor te leggen.
    Is dat dan de bedoeling?
    Wordt hiermee het vertrouwen van burgers ten opzichte van hun bestuurders verbeterd?

    Vraag aan uw raad:
    Bent u bereid om ook hierover vragen aan het college te stellen?

Vraag aan het college

  1. Zijn hierover (zie vraag 6.) reeds afspraken gemaakt?

    Antwoord van het college (zie bijlage 5):
    ‘nee, hierover zijn geen afspraken gemaakt’.

    Mijn inziens zijn afspraken hierover echter dringend gewenst. Zie ook hierboven, vraag 6.

    Waarom hierover geen afspraken zijn gemaakt beantwoordt het college helaas niet.

    Voorkomen moet immers worden dat het voor een individuele (eigen / gemeentelijke ) Boa mogelijk is / ongeclausuleerd wordt toegestaan, om zomaar – op eigen titel en verantwoordelijkheid – een column te publiceren in een plaatselijke krant, in ieder geval zonder dat de inhoud en strekking van een dergelijke column door een professionele publieksvoorlichter vóóraf op juistheid, wenselijk, etc. wordt gecontroleerd, zodat burgers niet onjuist / onvolledig worden geïnformeerd. Zij moeten kunnen vertrouwen op de inhoud van een dergelijke column.

    Bovendien dient de Boa op dit punt tegen zich zelf beschermd te worden voor de eventuele (rechts-)gevolgen van zijn / haar publicatie: hij / zij kan hiervan persoonlijk (schade-)aansprakelijk worden gesteld.

    Hierbij dient tevens – en niet in geringe mate – in ogenschouw te worden genomen dat een burger die een bekeuring / een bestuursrechtelijke beschikking heeft ontvangen zich, na bezwaar / beroep, met succes bij de officier van justitie en de rechter kan beroepen op de inhoud en strekking van een dergelijke (foute / incorrecte / onvolledige) column / mededeling van een opsporingsambtenaar. Dit is in de rechtspraak reeds lange tijd een erkende bewaar- en beroepsgrond gebleken!Ik wijs u hierbij op het al reeds lang geleden, maar nog steeds vigerend, gewezen arrest:
    http://arresten.eu/strafrecht/hr-22-11-1949-nj-1950-180-motorpapieren/
    Vele rechterlijke uitspraken volgden hierop.

    Vraag aan uw raad:
    Bent u bereid om ook hierover vragen aan het college te stellen?

Ten slotte: ik had van het college verwacht dat ik met mijn vragen serieus zou worden genomen: dat gevoel heb ik na beantwoording van mijn vragen bepaald niet.

In afwachting van uw reactie.

Hoogachtend,

mr. M.J.M. Kievits
Juridisch medewerker Rechtswinkel Bernheze.

In afschrift aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

Bijlagen

  1. Betreffend krantenartikel, d.d. 23 oktober 2024, in de ‘MooiBernhezeKrant’
  2. brief van voormalige Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus, d.d. 12 december 2018, aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, getiteld: ‘Boa’s en de gevolgen voor de lokale inbedding’.
  3. Schriftelijke vragen aan het college van B&W, d.d. 25 oktober 2024.
  4. Rappel aan college, d.d. 11 november 2024.
  5. Schriftelijke beantwoording door het college, d.d. 26 november 2024.
  6. Handhavingsarrangement, van 19-08-2024, tussen de gemeente Bernheze , de politie en het openbaar ministerie.